Wie regelmatig duikt bij Duikplaats Kerkweg in Den Osse, is ze vast wel eens tegengekomen: kleine stervormige patronen in het zand, met een schelp op de top. Ze lijken bijna te mooi om toevallig te zijn - en dat zijn ze ook niet. Ze zijn het werk van het dikkopje (Pomatoschistus minutus), een klein zandkleurig visje dat je bij Kerkweg zo nu en dan op de bodem kunt tegenkomen. De naam zegt de meeste mensen weinig, maar als kind kende bijna iedereen ze: aan het strand worden ze gevangen met netjes en belandden ze in emmertjes als 'zandvisjes' of 'lompjes'.
Bergenbouwers
Vroeg in het voorjaar, na de koude wintermaanden, komen ze weer tevoorschijn uit hun schuilplaatsen. De mannetjes gaan meteen druk aan de slag met het bouwen van een berg, met op de top een schelp. Als duiker zijn de bergjes van het dikkopje makkelijk te herkennen: van bovenaf lijken ze een beetje op een ster met in het midden een schelpje. Hoewel zo'n bergje voor ons niet veel voorstelt, moet het voor het dikkopje toch echt een hele opgave zijn om zoiets te bouwen. Met drukke bewegingen en gezwiep van zijn staart duwt hij het zand met open bek de berg op en graaft kleine geultjes uit die naar de berg toelopen. Hierdoor ontstaat de stervormige vorm. Als zijn berg dan eindelijk klaar is, kruipt hij onder de schelp op de top.
Maar waarom bouwt hij eigenlijk een berg? Als schuilplaats, uitkijkpost voor indringers, of om indruk te maken op de vrouwtjes?
Gespartel onder een schelp
Het antwoord is waarschijnlijk dat laatste. Een vrouwtje dat een berg tegenkomt, zwemt er eerst een paar keer langs. Dan gaat ze op de schelp liggen, zwemt weg, en komt weer terug. Dit kan wel een kwartier doorgaan — alsof ze het mannetje op zijn kwaliteiten beoordeelt. Is hij groot en sterk genoeg? Zou hij een goede vader zijn? Na die keuring verdwijnt het vrouwtje onder de schelp. Na wat druk gespartel zwemt ze weer weg, en het mannetje gaat weer op de uitkijk liggen.
Pas een paar duiken later is duidelijk wat er is gebeurd: het vrouwtje heeft eitjes gelegd aan de onderkant van de schelp, en het mannetje bewaakt ze totdat ze uitkomen. Met het blote oog zijn de eitjes — zo groot als zandkorrels — bijna niet te zien.
Het dikkopje wordt maximaal tien centimeter groot, maar de meeste exemplaren die je tegenkomt zijn vijf tot zes centimeter. Zijn voedsel bestaat uit kleine kreeftachtigen, wormpjes en andere kleine beestjes. Zomers zijn dikkopjes volop te vinden in de branding, in getijdepoelen en plassen van soms maar vijf centimeter diep.
Foto's: Yoeri van Es Photography